Historie

Het is niet zo heel eenvoudig om de geschiedenis van de Gele Rijders op schrift te zetten. Wat we over de eerste dertig jaar weten komt hoofdzakelijk uit publicaties die verschenen bij gelegenheid van diverse jubilea, want het archief vanaf 1927 (het jaar van de oprichting) tot 1957 is verdwenen en nimmer achterhaald. In 1957 trad Ton van de Graaf aan als secretaris en vanaf die tijd is er meer materiaal beschikbaar, al ligt het merendeel daarvan te wachten op het moment dat er een grondige inventarisatie van kan worden gemaakt. Laat ons niettemin een poging wagen.

De stadsuitbreiding van 1920

De geschiedenis van de Gele Rijders, en zeker het ontstaan van het korps, kan niet los worden gezien van de ontstaansgeschiedenis van de buurt en de parochie, en dus starten we daarmee. Aan het begin van de twintigste eeuw begon Maastricht uit zijn voegen te barsten en er ontstond een schreeuwend tekort aan woningen. De velden rond de stad – Wittevrouwenveld, Wyckerveld en Heugemerveld – werden op 1 januari 1920, samen met de kerkdorpen Heugem en Limmel, door de gemeente geannexeerd om ruimte te scheppen voor de zo noodzakelijke woningbouw. Tussen het Koningsplein en het huidige Old Hickoryplein werd een overlaatkanaal gegraven om de nieuwe woningen in Wyckerveld en Wittevrouwenveld te beschermen tegen de winterse overstromingen van de Maas.

Drie parochies

De nieuwe buurt Wittevrouwenveld bleek van alle buurten in Maastricht het snelst te groeien en dus ontstond er behoefte aan het stichten van een eigen parochie. Met deze opdracht werd 'Sjaakske' Jacobs belast: afkomstig uit Schinveld en achtereenvolgens kapelaan in Broeksittard, Limmel, Bunde en Heer werd hij in 1923 door bisschop Schrijnen benoemd tot bouwpastoor. Reeds het jaar daarop had hij al een houten noodkerk en patronaat gebouwd, en het jaar 1924 wordt dan ook beschouwd als het officiële oprichtingsjaar van de parochie.

In 1937 werd begonnen met de bouw van de huidige majestueuze O.L.V. van Lourdes-kerk aan de Wittevrouwenweg (nu President Rooseveltlaan), die al met Pasen 1938 – zij het nog zonder toren en portaal – kon worden ingewijd. De fundamenten van de gesloopte noodkerk waren nog tot in de beginjaren van deze eeuw voelbaar aanwezig in de Voltastraat.

In 1949 was de bevolking zo gegroeid dat het Wyckerveld een eigen parochie ging vormen met de kerk van de H. Familie aan het Old Hickoryplein als middelpunt. In 1958 ontstond er een derde parochie aan de oostkant van de buurt; de H. Guliëlmuskerk was een geschenk van de toenmalige bisschop Lemmens.

De eerste jaren

Drie jaar na de oprichting van de parochie achtte 'pestuurke' Jacobs de tijd rijp voor het oprichten van een harmonie en een maagdenkoor, die de communiefeesten, processies enzovoort in de nieuwe parochie moesten opluisteren. Een belangrijk argument daarbij was het gegeven dat in de jaren twintig het socialisme een grote aantrekkingskracht uitoefende op de bevolking van zijn parochie, die grotendeels uit fabrieks- en spoorwegarbeiders bestond. Tegen de 'rooien' van de Arbeiders Muziek- en Toneelvereniging Ster der Toekomst, die zelfs af en toe de kerkdiensten met hun klaroengeschal durfden verstoren, diende een dam opgeworpen te worden.

Dank zij een gift van een anonieme weldoenster kon de pastoor de instrumenten overnemen van de ter ziele gegane harmonie Jeanne d'Arc uit Wyck en kon op 27 september 1927 officieel tot oprichting worden overgegaan van harmonie Sint-Caecilia. De muzikale leiding was in handen van koster-organist Jac. Smeets die de zaken voortvarend aanpakte: al in 1928 kon de jonge harmonie, nog niet geüniformeerd maar wel met allemaal dezelfde 'petrol-patsje' op, vol trots meelopen in de processie.

Het jaar daarop achtte men zich rijp genoeg om de vleugels verder uit te slaan. Het optreden op een festival in Wolder vormde de opmaat voor een muzikale zegetocht: zo werd tijdens een concours in Eindhoven de eerste prijs in de derde afdeling behaald en volgden de reizen – en prijzen – zich in een snel tempo op. Tijdens de economische crisis van de jaren dertig bleef pastoor Jacobs de grote stimulator van het jonge korps.

De oorlog

De tweede wereldoorlog vormde een moeilijke periode: voor het maatschappelijk leven in het algemeen, maar zeker ook voor muziekverenigingen. Sint-Caecilia ging op non-actief. Voor de instrumenten werd een veilig onderkomen gezocht en al het materiaal, met uitzondering van één hobo, bleef behouden.

In september 1944 werd Maastricht bevrijd en al een maand later maakte pastoor Jacobs vanaf de preekstoel bekend dat de harmonie opnieuw zou worden opgericht. De repetities werden hervat maar dat was een valse start, want ze werden al even snel weer onderbroken vanwege het gevaar dat de vliegende bommen veroorzaakten. Vanaf februari 1945 konden de activiteiten definitief hervat worden en bij de bevrijding van het hele land in mei kon de harmonie weer uittrekken. In 1946 volgde de eerste naoorlogse concertreis buiten Maastricht en het eerste stadsconcours op Fort Sint-Pieter.

De naoorlogse periode

Dan breekt er een decennium aan vol moeilijkheden. Tot 1955 waren er de nodige momenten waarop het voortbestaan van de harmonie aan een zijden draadje hing. Waarom er zoveel strubbelingen waren? Niemand die het nu nog kan zeggen. Er werden herhaaldelijk ledenvergaderingen gehouden waarin het gehele bestuur én de directeur naar huis gestuurd werden. Zo werd er in 1947 een noodbestuur gekozen, geheel bestaande uit spelende leden.

Maar hoe moest men nu uittrekken, zo zonder bestuur? Pastoor Jacobs bracht de oplossing: hij liep fier vóór de harmonie uit en nam zo de honneurs als voorzitter waar. Die eer werd hem van harte gegund want in de deze naoorlogse jaren waren het juist dit klein 'pestuurke' en zijn kerkbestuur die harmonie Sint-Caecilia bij herhaling de helpende hand boden in de moeilijke strijd om het bestaan. Ondanks alle troebelen bleef de harmonie in leven, werden er nog regelmatig optredens verzorgd, ook in het buitenland, en werden er zelfs buitenlandse gasten ontvangen.

Naderend herstel

Door alle moeilijkheden kon het 25-jarig bestaan niet op tijd gevierd worden maar pas twee jaar later, in 1954. Nog steeds trok het korps – zoals de meeste Maastrichtse harmonieën en fanfares – uit in burgerkledij, maar de 'patsje' van voor de oorlog waren inmiddels vervangen door nieuwe hoofddeksels naar het model van de Franse politie. Rond deze tijd werd ook het allereerste vaandel (waarvan niemand weet waar het gebleven is) vervangen door een nieuwe standaard.

Allemaal tekenen van een naderend herstel, dat pas definitief werd ingezet bij het aantreden in 1955 van Constant Hoen, destijds ook wel bekend als 'de burgemeester van het Wittevrouwenveld', als voorzitter. Hij verzamelde een krachtdadig bestuur om zich heen, waarvan een aantal leden tot ver in de jaren negentig van de vorige eeuw actief bleef.

De drumband

In 1956 werd de drumband opgericht, die onder de leiding stond van Theo Gerrits. Zoals bij zo veel korpsen was het in eerste instantie de taak van de drumband om op straat de gaten te vullen die ontstonden als het harmonieorkest even pauzeerde – en óók zoals bij zo veel korpsen werd die doelstelling langzamerhand verlaten en ontwikkelde de drumband zich tot een groep die ook zelfstandig een fraaie muzikale prestatie kon neerzetten. Gedurende de periode 1962-1973 zou de drumband zelfs een groep klaroenblazers omvatten.

Eindelijk in uniform

Het grote keerpunt voor Sint-Caecilia kwam in 1957 en de metamorfose was zo groot dat het korps er een nieuwe naam aan overhield. Alom werd na de tweede wereldoorlog het burgerkostuum bij de Maastrichtse korpsen verruild voor een echt uniform: ieder korps was zo voor ingewijden en vooral ook voor niet-ingewijden onmiddellijk herkenbaar.

Reeds onder voorzitterschap van Jacques Snel was besloten om ook Sint-Caecilia in het nieuw te steken. De aanschaf van nieuwe uniformen zou mogelijk worden gemaakt door een damescomité dat een zogenaamde 'kwartjes-actie' startte: een groot aantal huishoudens in het Wittevrouwenveld en Wyckerveld verklaarde zich bereid om elke week een kwartje aan de harmonie te doneren. Al die kwartjes moesten dan wel even door de dames worden opgehaald...

Inmiddels was ook een parochie-comité actief met het bijeenbrengen van geld voor een nieuwe kleuterschool. Toen bleek dat die school voor een groot deel uit andere bronnen kon worden gefinancierd voelde de nieuw aangetreden voorzitter Constant Hoen aan dat hier een grote kans voor de harmonie lag en zowaar, het lukte hem een forse bijdrage vanuit het parochie-comité te krijgen. De nieuwe uniformen waren definitief binnen bereik gekomen.

Sint-Caecilia wordt 'De Gele Rijders'

Maar wat voor uniform moest het worden? Het moest wel iets bijzonders zijn, want wat andere Maastrichtse korpsen droegen was ook niet mis: scharlakenrode tunieken bij de Koninklijke Harmonie, het uniform van de Limburgse Jagers bij fanfare Concordia, jachtkledij bij Sint-Hubertus, tropenhelmen bij de Wieker Fanfaar Sint-Franciscus.

Het toenmalige bestuur deed een gouden greep bij de keuze voor het uit 1842 stammende gala-uniform van een Nederlands legeronderdeel, het Korps Rijdende Artillerie. Omdat het KRA inmiddels – zij het tijdelijk, maar dat wist men toen nog niet – was opgeheven kostte het niet al te veel moeite om toestemming te krijgen voor het voeren van deze uniformen. Door de uitbundige gele uitmonstering werden de artilleristen al van oudsher 'Gele Rijders' genoemd en die naam ging als vanzelf over op Sint-Caecilia, dat dus vanaf 1957 een dubbele naam voert. Zonder overdrijving kan gesteld worden dat de komst van de nieuwe uniformen een nieuw tijdperk voor de harmonie inluidde.

Later is overigens het Korps Rijdende Artillerie weer heropgericht en sindsdien onderhouden beide korpsen, het harmonie- en het militaire korps, vriendschappelijke betrekkingen met elkaar. Zo werd herhaaldelijk muzikaal acte de présence gegeven bij lustrumvieringen van het KRA in Schaarsbergen en Arnhem.

Te gast in Keulen

Er werd, aanvankelijk een beetje aarzelend, kennis gemaakt met de carnavalsvereniging 'Treuer Husar' in Keulen. Met de nieuwe uniformen sloten de Gele Rijders prachtig aan bij de Keulse carnavalisten en samen vormen zij sinds die tijd een van de mooie groepen die tijdens de jaarlijkse Rosenmontagszug aan een miljoenenpubliek voorbijtrekt. De relatie tussen beide verenigingen is, zeker nadat het voorzitterschap in 1963 in handen kwam van Frans Thewissen, in de loop der jaren uitgegroeid tot een echte vriendschap, die vertaald wordt in het over en weer bezoeken van en meewerken aan elkaars activiteiten.

Huisvesting

Over de huisvesting van de harmonie in de beginperiode is niet zo veel te zeggen. Aan te nemen valt dat oorspronkelijk gerepeteerd werd in het door pastoor Jacobs opgerichte patronaatsgebouw. Over de naoorlogse periode is er meer zekerheid: zo werd er gebruik gemaakt van de crypte onder de apsis van de O.L.V. van Lourdeskerk.

Daarna vormde de zolder van de Sint-Theresiaschool jarenlang de vaste stek van de harmonie. Menigeen herinnert zich de ijzeren brandtrap langs de zijgevel van de school, die eerst beklommen moest worden alvorens het gebouw kon worden betreden om, via nog wat steile en kronkelige trappen, de zolder te bereiken. Overbodig te vermelden dat bij concerten buitenshuis ook de pauken en andere grote instrumenten via deze lijdensweg vervoerd moesten worden...

In de jaren negentig werd verhuisd naar Trefcentrum Wittevrouwenveld, dat – met een onderbreking toen het Trefcentrum verbouwd werd – tot op de dag van vandaag de thuisbasis vormt.

Streven naar kwaliteit

Gezellig samen muziek maken en leuke optredens verzorgen, in de eigen buurt maar ook (ver) daarbuiten: dat is kort samengevat de hoofddoelstelling van de Gele Rijders. Dat musiceren hoeft voor de meeste leden niet op het allerhoogste niveau plaats te vinden, maar af en toe kriebelt het en wordt er een uitdaging gezocht in de vorm van deelname aan een concours. Het harmonieorkest behaalde het Limburgs en het Nederlands kampioenschap in de derde afdeling (1997 resp. 1998) en, na promotie naar de tweede afdeling, opnieuw het Limburgs (1999) en het Nederlands (2000) kampioenschap.

Ook zonder concoursdeelname hoeven bestuur en leden zich overigens niet te vervelen, want aan andere muzikale activiteiten is er geen gebrek: concerten in het 'eigen' Trefcentrum Wittevrouwenveld, speciaal voor de leden van de Club van Honderd of 'zomaar' voor passanten op een pleintje in de buurt, de al genoemde Rosenmontagszug in Keulen en andere carnavalsactiviteiten in de eigen buurt en elders in Maastricht, deelname aan het stedelijk Marsdefilé en het Drumafestival in het kader van de gemeentelijke subsidieregeling, serenades bij feestelijke gebeurtenissen in de wijk en binnen de familiekring van de eigen leden, het muzikaal begeleiden van de communiekinderen in de parochies, het muzikaal opluisteren van de Allerzielenherdenking op Begraafplaats Oostermaas, de nachtmis met Kerstmis in de O.L.V. van Lourdeskerk en de mis op tweede kerstdag in de Guliëlmuskerk...

En daarmee zijn we terug bij de oorsprong van de harmonie. De maatschappij is in een kleine eeuw onherkenbaar veranderd; de band tussen kerk en harmonie is méé veranderd maar nog steeds aanwezig.

Tijden veranderen

Wyckerveld werd Wyckerpoort en het Wittevrouwenveld werd omgedoopt in Oostermaas. De autosnelweg vormde een grens, om niet te zeggen barrière, tussen beide wijken. Maar tijden veranderen: in 1997 werden de parochies van O.L.V. van Lourdes en H. Familie weer samengevoegd, in 2006 werd de Guliëlmusparochie daaraan toegevoegd, het Wittevrouwenveld kreeg zijn oorspronkelijke naam terug en de snelweg verdwijnt binnenkort ondergronds om vanaf 2017 vervangen te worden door een 'groene loper'.

De nieuwbouw van de Elektrobuurt, inclusief winkelcentrum, de aanleg van een nieuw buurtpark en het vervangen van het inmiddels gesloopte KPN-gebouw door woningen: dit alles zal een kwaliteitsimpuls geven aan de buurt.

Hoe het het maagdenkoor van pastoor Jacobs verging hebben wij niet kunnen achterhalen; de harmonie die hij oprichtte is springlevend en staat thans, achtentachtig jaar jong, vóór u en tussen u.

Vincent Grummer